Kind en ontwikkeling

Er komen bij ons veel verschillende kinderen. Ieder kind is uniek en ontwikkelt zich op zijn of haar eigen manier.

Kinderen hebben allemaal een eigen mentor, dit is een van de pedagogisch medewerkers van de groep waar het kind geplaatst is. Deze mentor volgt de ontwikkeling van het kind, is het eerste aanspreekpunt voor de ouders en het kind, en voert de oudergesprekken. De pedagogisch medewerkers informeren tijdens het welkomstgesprek de ouders en het kind wie de mentor is.  Naast de mentor is er voor elk kind tot een jaar een tweede vast gezicht. Voor kinderen tot een jaar is of de mentor of het tweede vaste gezicht aanwezig als het kind naar de locatie komt, met uitzondering van begin en eind van de dag en tijdens verlof. Dan zorgen we er zoveel mogelijk voor dat er voor ouders en kinderen een bekende andere pedagogisch medewerkster aanwezig is.

De mentor volgt het kind in de groep, zorgt bij de bso bijvoorbeeld voor een ‘maatje’ voor het nieuwe kind, legt de ontwikkeling en het welbevinden vast, onderhoudt contact met het mentorkind en zijn/haar ouder(s)/verzorger(s).

We volgen voortdurend hoe kinderen zich ontwikkelen en houden hun ‘welbevinden’ in de gaten met het kind-volg-systeem. Daarmee bedoelen we of ze zich bij ons in de groep ontspannen en prettig voelen, hoe ze tot spelen komen en contact opbouwen met andere kinderen. We praten regelmatig met ouders over hoe het met hun kind gaat. Dit komt niet alleen ter sprake tijdens de breng- en haalmomenten, maar ook via de mogelijkheid van een jaarlijks oudergesprek rond de verjaardag van het kind. Tijdens de groepsoverleggen, bespreken we regelmatig hoe het met de kinderen gaat. Bij onze locaties zijn we ingewerkt op het kind-volg-systeem ‘Kijk’.

Soms zien we gedrag waar we ons zorgen over maken. Bijvoorbeeld als een kind zich heel erg terugtrekt, heel weinig praat of als een kind een terugval in de ontwikkeling laat zien die niet overgaat. Wanneer we ons zorgen maken, bespreken we dit zo snel mogelijk met de ouders. Het is belangrijk om te kijken of ouders onze zorgen herkennen. Samen denken we na over een eventuele reden voor het gedrag en mogelijke stappen. Hierbij handelen we op basis van ons signaleringsprotocol. We spreken ouders hierover niet zomaar in de gang aan maar maken een aparte afspraak. Een ouder kan altijd een gesprek aanvragen om op een rustig moment over het kind te praten met de mentor.

In het signaleringsprotocol, wat jaarlijks aan de orde komt in het teamoverleg, staan de stappen van het eerste signaleren tot waar nodig doorverwijzen naar een zorginstelling. Deze stappen doorlopen we in overleg met de ouders. Verder zijn er hulpmiddelen zoals een observatielijst. Bij een vermoeden van kindermishandeling maken we gebruik van de ‘Meldcode kindermishandeling en huiselijk geweld’. Daarnaast kunnen de pedagogisch medewerksters voor ondersteuning altijd terecht bij de clustermanager en/of pedagogisch geschoolde medewerkers van het Servicebureau.

Bij de overgang van het kinderdagverblijf of peutergroep naar de basisschool en/of buitenschoolse opvang vragen we toestemming aan de ouders om relevante informatie over het kind over te dragen aan school en bso. We gebruiken hiervoor een overdrachtsformulier. De informatie lichten we via een telefoongesprek of in een persoonlijk gesprek (warme overdracht) toe. Soms gebeurt dit samen met de ouders. Hierdoor kan school vanaf het begin goed inspelen op het kind.

Share This